DUIVELSKOP

Het is een vuurproef, hebben ze gezegd. Verplicht voor wie erbij wil horen. Ze hebben het allemaal gedaan. Zijn voet glijdt uit en er rollen stenen en kluiten aarde naar beneden. Van schrik gaat hij zitten en sluit zijn ogen. Het ruikt naar mos en naar het zoetige parfum van de bloeiende struiken en bomen. En er is nog een sterkere geur. De geur waarmee dieren hun gebied afbakenen om een indringer te laten weten dat hij een grens heeft overschreden. Dat hij zich op verboden terrein bevindt.
   Het geitenpaadje is steil, maar de boomtakken aan weerszijden bieden houvast. Hij is onhandig, heeft geen ervaring met klimmende of dalende paadjes, met losse stenen en zwiepende takken. Hij is een stadskind, en woont nog niet zo lang in het dorp.
   Naarmate hij verder afdaalt, druppelt er minder zonlicht door de bomen en bonst zijn hart steeds harder. Als hij eenmaal beneden is, zal het vanzelf gaan, hebben ze gezegd. Het kan niet missen. Ze hebben het allemaal gedaan.
   De jongens met wie hij nu optrekt, vormen een club van vijf die zich de Fronde noemt. Ze hebben een kamp in de kelder onder een dakloze ru´ne in het bos. Het is eigenlijk geen kelder, het is een grot. Ze drinken er sterkedrank uit flessen zonder etiket en schieten met een gestolen wapen op vogels. Knal! Vogeltje dood.
   Glijdend en struikelend volgt hij het geitenpaadje tot het doodloopt in dicht struikgewas aan de voet van een torenhoge muur. Hij heeft het kasteel bereikt. Hij speurt de muur af naar een ingang die hier zou moeten zijn. Het duurt even voor hij de vermolmde deur vindt, half verborgen door de struiken. Hij duwt ertegen, schrikt als hij knarsend openzakt. Uit de duisternis slaat een muffe keldergeur in zijn gezicht. Zijn maag krimpt. Hij heeft een grens overschreden. Hij bevindt zich op verboden terrein. Hij is aanschietbaar.
   Hij is twaalf jaar. Zijn vuurproef is begonnen.

 





   Hij loopt door de duistere kelders van kasteel Rameuillac. Op aanraden van de anderen heeft hij een zaklamp meegenomen. De aangestampte aarde knarst onder zijn voeten. Zijn hart klopt in zijn keel en hij is misselijk van de spanning. Hij loopt langs hopen puin, ijzeren voorwerpen die hij niet kan duiden - Ketens? Boeien? - passeert een brokkelige rand stenen rond een oud ijzeren rooster. Er schiet iets weg - Een uil? Een vleermuis? - vlak langs zijn gezicht. Niets is zeker, alles kan zijn.
   Zijn opdracht is terug te komen met een voorwerp uit het kasteel, uit het gedeelte waar de oude baron woont, een willekeurig voorwerp, een bewijsstuk, het maakt niet uit wat. De oude baron de Malinobre is een zonderling; de kinderen van het dorp zijn bang voor de grijsaard met zijn ouderwetse kleding in zijn vervallen kasteel. Ze zijn bang voor het harde hout van zijn wandelstok waarmee hij kan uithalen als je in zijn buurt komt. Het is een stok met een bewerkte ivoren knop. Sommigen beweren dat het ivoor in de vorm van een schedel gesneden is. Anderen menen dat het een duivelskop is.
   Achter in de kelder leidt een tiental stenen treden naar een hogere ruimte. Het is hier minder donker omdat er licht naar binnen valt door vier smalle ramen. Er staan kapotte meubelen, rommel, dozen aangetast door het vocht. Een wand wordt bijna geheel in beslag genomen door een gigantische open haard. Op de schouw staan gebeitelde ossenkoppen met trossen fruit aan de horens. Daarna doorkruist hij een tweede zaal, nagenoeg identiek aan de eerste, met achterin weer een paar deuren.






Uit: Zwarte kant