Emile dacht.
   Hier sta ik in het land van chaos met Abraham aan mijn voeten. Het is kil op het kerkhof. Zo zouden de kerkhoven altijd moeten zijn. Guur, een beetje winderig, slierten nevel, een plaatje. Mijn vriend Abraham Bontebal is dood. Zijn overlijden is een verhaal over liefde en haat, over het woelen van begeerte dat geen wet kan indijken, over bloed in binnenwaartse holten. Een holenmens kon je Abraham wel noemen; ook al had hij familie en kennissen, hij bleef een kluizenaar, een grotbewoner in de grootstad Volksblaam in het landje Glibbië, een troglodiet die zijn ziel maar weinig luchtte, almaar minder. Een navelstaarder, asociaal en onproduktief. Geestelijk bijziend in dit leven en verziend in de andere levens van duizeling en leegte.
   Had ik hem in leven kunnen houden? Had ik meer moeten doen, meer voor hem moeten betekenen, had ik een betere vriend moeten zijn? Vragen achteraf, maar wie weet? De laatste tijd waren we een beetje uiteengegroeid, waren onze levens wat evenwijdiger gaan lopen. Had ik de lijnen moeten verleggen en opnieuw raakpunten zoeken? Misschien had ik hem kunnen porren, misschien hadden we ons samen kunnen wijden aan een goed doel. Hadden we melaatsen moeten gaan helpen in de derde wereld, of vrijwilligerswerk verrichten in een praatgroep voor de vierde wereld, als spermadonors vreugde zaaien in reageerbuizen voor lesbische bijstandsmoeders? Sociale betrokkenheid, naastenliefde, opofferingsgeest, medemenselijkheid, daar kwam het immers op aan. Dan zat je goed. Hadden we in meer betogingen moeten meelopen om de motivatie en de levenswil op peil te houden? Dat had Abraham zeker niet gewild. Hij was zelf een eenmansbetoging, een eenmansbetoog. ‘Liever dood dan sterven’ was zijn leus, zijn lijfspreuk. En nu is het zover.
   Het is kil op het kerkhof, adem stoomt uit de mond van de levenden. Somber grijs weer. Een goede tijd om te sterven. Heden ik morgen jij, stond er vroeger op de graven, hodie mihi cras tibi. Maar de dood is niet aan seizoenen gebonden en komt altijd onverwacht.

 

Ook al zag je Abrahams dood aankomen — achteraf — al sinds maanden, al sinds zijn geboorte. En toch die plotselinge schok, want niets uit het leven is met de dood te vergelijken, ook de ziektes, de misères niet, ook de doodsstrijd niet.
   De bomen zijn praktisch kaal, er dwarrelen bladeren in de grote groeve. Prima bladgrond, humus. Normaal zouden de stoffelijke resten van Abraham Bontebal de bodem verrijken. Maar vruchten zullen ze niet opleveren, daar hebben ze de tijd niet voor, want ook hier bemoeit de tuinman zich met de dood en na hooguit zeven jaar wordt de akker afgegraven, rijke biologische bodem die niet gebruikt wordt. Plaats voor een volgende vracht lijken. Vroeger had je de zogeheten eeuwigdurende concessies, met een eeuwigheid die negenennegentig jaar duurde. Dat is nu niet meer te betalen. De ruimte is beperkt, de gegadigden zijn talrijk, crematie wordt aangeraden omdat het plaats bespaart. Zoals cd's, zoals kitchenettes en torenflats, ook plaats besparend. Abraham zelf had zijn pa en oma graag in zijn tuin begraven, na hun overlijden wel te verstaan. Hij wilde op hun graf een appelboom planten om na jaren een vrucht te kunnen eten die dank zij hun compostering zou zijn ontstaan: verrotting en herleving, de natuur als alchemist. Maar de wet liet dat niet toe: gevaar voor de volksgezondheid of zo iets — en bovendien had hij helemaal geen tuintje. Toch heeft Abraham voor zijn eigen teraardebestelling dit bezwaar in zekere zin weten te omzeilen, want zijn huis grenst aan de achterkant van dit nieuwe stedelijke kerkhof. Van hieruit zie ik zijn achterhuis, schuin links tussen de lege takken. Hij ligt dus toch ongeveer in zijn eigen hofje. Abraham pushing up daisies. Zou hij blozender appels opleveren, fraaiere bloemen? De bewustzijnsvorm die Abraham Bontebal heette is in elk geval uitgedoofd. Hij was negenenveertig jaar. Heeft Abraham niet gezien.









Uit: Moord door geboorte