Gustaaf Lamfreit ligt in zijn kist op het kerkhof. Hij wordt begraven,
het is winter, bijna nieuwjaar. Maar de dode, de gekiste, hij kijkt. Hij
kijkt intens en voor de laatste keer en door de borende kracht van zijn
blik wordt het lente, wordt de wereld nieuw voor de eerste keer. Lamfreit
is de heer der seizoenen. Iets wat hij bij leven en welzijn nooit geweest
is. Misschien wordt het nu toch nog wel wat, het doodzijn. Want sinds zijn
overlijden heeft hij alles maar vreemd gevonden, vooral die kist. Grenen,
geen eik. Niet eens es of olm. Grenen. Tot nu toe is de dood zelf hem
eerlijk gezegd een beetje tegengevallen, eerder een non-evenement zoals
zijn trouwdag destijds, maar iets in hem blijft fluisteren dat deze
lethargie van flauwe zweverigheid met amper kleuren of vormen niet zal
blijven duren, dat het maar een overgangsfase is en dat er nog veel staat
aan te komen.
Eerst had hij de indruk dat hij zich in een
tunnel bevond, een donkere gang waarin vaag het geluid van een hobo
weerklonk, een betoverde hobo die hem scheen te lokken naar zijn jongste
lente, een betoverde melodie die hem de kracht gaf verder te gaan, nog
verder de duisternis in.
Tot hij een lichtere zone meende te zien,
misschien de uitgang van de tunnel. De ronde opening werd afgesloten door
spinnenwebben. Duizenden webben evenwijdig achter elkaar op een rij, het
ene op zo’n tien centimeter van het andere. Beestenkoppen. Er speelden
regenbogen door de draden. Hij zou er wel doorkomen, dacht hij, die netten
waren flinterdun. Hij dus moedig voorwaarts. De eerste twintig, dertig
gingen nog, met brede geestelijke armslagen baande hij zich een weg door
de kleverige witte draden, maar daarna werd het ingewikkeld, werd hij
duizenden keren ingewikkeld door de geduldige strategie van de spinnen,
totdat ademnood en verstikkingsdood — alweer! — erop volgden, met —
alweer! — uiteenknallende bloedbanen, adertjes, longblaasjes, buisjes,
leidingen.
En dat moment van de echte, van de tweede dood,
niet van de civiele, niet de optische, niet de medische, valt precies
samen met het opengaan van zijn ogen waardoor hij de mentale lente maakt,
zo maar, alsof hij dat geregeld doet. Dan ineens de spade van de
doodgravers. Een echo van een vette kluit aarde davert op zijn kist. Het
is de dreun van exit.
2
Je staat niet eens bij zijn graf. Op de begraafplaats van de gemeente
Beuling is het gebruikelijk dat de rouwende familie halverwege de
oprijlaan halt houdt. Geen stap verder. Het bezorgde gemeentebestuur wil
vermijden dat er levenden in de kuil vallen, dat de doden zich te snel
vermenigvuldigen. Na de mis zijn jullie via de stadsring naar het nieuwe
kerkhof gereden om daar een stoetje nepvoetgangers te vormen achter de
dieseluitlaat van de lijkwagen tot op een willekeurige plek in het midden
van nergens en asfalt, halfweg tussen wasem en nevel.
Daar wordt de kist uit de zwarte auto getild en
op een opklapbaar stalen rek gezet. De motor blijft draaien om jullie
eigen dood te bespoedigen. De begrafenisondernemer geeft instructies.
Jullie moeten met een wijwaterkwast afscheid nemen en rechtsomkeert maken,
terwijl zes muzikanten The Last Post blazen, bij benadering. Na
honderd meter kijk je om, jij, Gustaaf Lamfreit junior, hopend in een zuil
van zout te veranderen, maar daar ligt senior surreëel alleen in grenen,
statig en hoekig zoals hij was. Kist op zigzagrek: virus op spinnenpoten,
ruimteschip op maanlandschap. Absurde farce van de verkeerde man op de
verkeerde plaats. Je vraagt aan de begrafenisondernemer of de vermeende
plechtigheid nu al is afgelopen, of dit het nou echt is. Ja, dit is het
echt. Finito.