Zo past er dus een sleutel op ieders lot, dacht hij.
   Hij bleef daar lang over nadenken, in cirkels, tot de journalist hem onderbrak met zijn eerste vraag.
   'Hoe ben je wonderdokter geworden?'
   De vraag overviel Ambrosius, hij wist niet hoe je een wonderdokter wordt. Hij wist niet eens hoe je iets of iemand wordt. Een dokter was hij natuurlijk niet, daar had hij niet voor doorgeleerd, hij had helemaal niets geleerd, was zelfs nooit naar school geweest. En wonderen gebeurden nooit, hoezeer pastoor Medemblick op de preekstoel ook bulderde en spuwde, hetgeen hem een reputatie van hardvochtigheid had opgeleverd want hij bulderde hard en spuwde vochtig.
   Ambrosius Hoeks was geen wonder en geen dokter. Hooguit een pijnstiller. Die meneer van de krant, Albrecht Diederik, stelde rare vragen die nergens op sloegen. Zij gingen straal aan Ambrosius' leven voorbij, plakten niet aan zijn werkelijkheid of stonden in elk geval buiten zijn ervaring, hadden niets te maken met hoe het echt in zijn werk was gegaan. Alsof de verslaggever het leven wilde herleiden tot een korte lijn, een verhaal, een vervalste verfraaiing, een doodlopend spoor, met een snel begin en een rap einde. Dus antwoordde Ambrosius niet, want waarover men niet kan spreken, daarover moet men zwijgen, vond hij. Hij keek aandachtig naar de krantenman en zag dat zijn lange stilte Albrecht steeds meer constipeerde, ontregelde: hoe zijn dorre huid gespannen raakte en verkleurde tot eigeel, terwijl er rond zijn ogen een koortsige warmte opsteeg naar zijn voorhoofd.
   'Maar jij bent toch de elektrische man?' vroeg de krantenschrijver ongemakkelijk. 'Zo word je in de couranten genoemd.'
   'Misschien wel, misschien niet, ik lees geen couranten. En ik weet niet goed wat dat is, elektriciteit.'
   'Hoe kom je daar dan aan?'
   'Aan wat?'
   'Aan die elektriciteit. Is het waar dat je door de bliksem getroffen bent?'

 

   'Ja, dat gebeurt wel vaker. Dat krijg je als je oud ijzer opkoopt, vooral als je met een volle kar roest in regen en storm moet lopen. Ik ben voddenboer, ik koop en verkoop, niet alleen oud ijzer, ook lompen, maar dat oud ijzer trekt de bliksem aan, vooral in de open velden, als er niets of niemand om me heen is. Dan ben ik alleen met Jupijn.'
   'Jupijn?'
   'Ja, Jupijn, dat is de bliksem... In de akkers kan Jupijn niet anders dan mijn oud ijzer opzoeken. Hij slaat dus niet pal op mijn hoofd, ik krijg er alleen indirect een lading van mee, afstralingen van flitsen. En mijn twee honden ook, die de kar trekken. Zij hebben daar nooit last van gehad. Dat komt door hun langharige pels. De bliksem sloeg bij hen alleen in op het uiterste puntje van hun kletsnatte haren. En je weet hoe honden zijn als hun ruggen door en door nat zijn van de regen. Dan schudden ze geregeld het water van zich af en dat doen ze het liefst als hun baasje in de buurt is. En zo schudden ze ook nog wat restjes bliksem op mij. Honden zijn speelse dieren, moet je weten…'
   Ambrosius, die normaal erg zwijgzaam was, had er een handje van om, zodra hij aan de praat was, hoofdzaken en bijzaken even belangrijk te vinden. Hij kon zich in bijkomstigheden verliezen en met veel overtuiging zijsporen bewandelen die er niet altijd toe deden. Dat moest nu ook de meneer van de krant ondervinden: hij werd er nog net niet moedeloos van maar begreep dat hij zijn vragen anders moest proberen te stellen.
   'Maar bliksem, dat is toch elektriciteit?'
   'Ja dat kan best, maar bliksem alleen is natuurlijk niet genoeg. Dan zouden alle leurders in oud ijzer ineens genezers zijn, dat kan toch niet? Neem nu mijn vader, die heeft nooit iemand genezen, hoewel hij toch ook...'
   'Hoe heb je dan geleerd mensen te genezen?'
   'Ik heb dat niet geleerd. En ik kan ook niet alles en iedereen genezen.'
   'Hoe is het dan begonnen?'
   'Wat?'
   'Je eerste genezing.'



Uit: De elektrische man