Van hieruit is de werkelijkheid een droge waan, een illusie die voortkomt uit een gebrek aan alcohol, dacht Evarist toen hij voor het eerst de kroeg Het Blazoen van Blasius betrad. Hij had meteen het warme gevoel deel te hebben aan een collectieve droom, een bizarre wereld van zelfverzonnen wezens. Dit minuscule cafÚ lag op de hoek van de Pluimenmarkt en de Walburgastraat in Antdorf, de havenstad aan de Dodeschelde. Het was een scheve volkskroeg op het einde van de wereld, een restant uit de zestiende eeuw in een flitsende omgeving van beton, banken, parkeergarages en wolkenkrabbers keurig achter de kathedraal. Het was de kroeg van bier en dood en groot verdriet, het gat van de hel, geheime hoofdzetel van het magisch realisme, afdeling Slapstick en Melodrama. Allerlei soorten mensen kwamen er samen in een feestelijk gewoel en jong en oud liep er door elkaar, zonder onmiddellijke vooroordelen. Wie de kroeg binnenkwam, was gedurende zijn verblijf aldaar aan alle stamgasten gelijk. Uitsluitend daarbinnen heersten geen sociale verschillen, geen generatiekloven. En uitsluitend daarbinnen voelde men zich wat meer verzoend met de buitenwereld en was het leven iets simplistischer.

Toen Evarist en zijn vriendin Charlotte in juni 1983 voor het eerst in die heraldische kroeg binnenkwamen, hadden zij meteen de indruk iets te beleven wat mensen gefantaseerd en gemaakt hadden, het bewustzijn dat zij daar een soort tijdloze geschiedenis meemaakten maar ook zelf geschiedenis werden voor later. Zij hoopten dat het lang zou duren. Het werd anderhalf jaar, tweeŰntwintig maanden om precies te zijn. Levende geschiedenis, vanaf het allereerste moment: ze snoven meteen totaalinformatie en totaalcommunicatie, ademden tegelijk het nu en het toen in en dronken het verleden tot heden. Schuimend bier in kelken. Zij waren er binnengeloodst door hun vriend Vital, een stamgast sinds 1979. Hij had het kroegje zo treffend beschreven dat Evarist en Charlotte van te voren al de indruk hadden het goed te kennen, zodat zij er direct bij hoorden.

 

Dat scheelde nogal een stuk in vergelijking met de pseudo-bruine kroegen die ze gewend waren en waar totaalcommunicatie niet bestond en vervangen was door hautain stilzwijgen, quasi-logische maatschappijprojecten en vreugdeloze versierpogingen. In het gekakel van Het Blazoen kwamen deze dingen niet zo aan de orde en werd er zelden of nooit versierd. Dat hoorde er niet bij, had Vital gezegd. Het Blazoen van Blasius was voor de ingewijden een tweede salon, een met gezelschap uitgebreide woonkamer, een met gralen vol bier gevuld buurthuis. De stamgasten waren er sociale wezens geworden, omdat zij daar hun intimiteiten openbaar konden maken via vrijblijvende ontboezemingen en herhaalde kroegconfidenties die hun leven bevrijdden van de last van angstvallige geheimhouding. En nog een rondje. En nog een. In dit heilig huisje werd er veel meer getrakteerd en socialer gedronken dan elders: men werd er dan ook sneller zat dan in andere taveernen. Van tafel tot tafel werden de bieren luidruchtig besteld en na een krachtige toost onmiddellijk geretourneerd, zodat het vaak voorkwam dat iemand een nieuwe kelk kreeg bijgeschoven terwijl er nog een stuk of wat volle glazen voor hem op tafel stonden. Binnen het uur had elke bezoeker de fatale eerste stappen gezet op het pad der dronkenschap en kon dus met de hoop mee, sidderende derwisj, panisch woelend en blinkend van hoppige most. En na vele rondjes werden de drinkers stilaan orakels en profeten, na´ef opgenomen in de kring waar ze een naam hadden en zich thuis voelden, thuiser dan thuis, bedrijviger dan op het bedrijf, en met iets minder problemen en iets meer oplossingen. In Het Blazoen van Blasius werden ze deemsterende helden van tien voet hoog, werden ze armes parlantes, sprekende wapens, en kon hun stem nog priesterlijk schallen en hysterisch schetteren.









Uit: De doodbieren