De organisatie waarin wij werken is zeer complex. Zo ingewikkeld dat
niemand er alle vertakkingen en hiërarchische structuren van overziet.
Uiteraard kennen wij, agenten van de Operationele Afdeling, onze naaste
collega's en onmiddellijke oversten. Die oversten hebben op hun beurt weer
bovenbazen. Soms krijgen we hun namen (hun schuilnamen?) te horen, soms
niet, zonder enig systeem. Niemand van ons heeft ooit een organigram of zo
gezien. Informatie wordt ons spaarzaam toegediend, alleen voor zover het
correct functioneren van de dienst het vereist. Verder hebben we slechts
bij benadering een idee van de hogere regionen waar kennelijk de
beslissingen genomen worden. In wezen blijft ons zicht op die hoge wereld
troebel en vaak tegenstrijdig. Ik heb al heftige twistgesprekken over dit
onderwerp meegemaakt tussen collega’s aan de toog van de kroeg aan de
overkant: maar altijd ging het over fragmenten, de ene wist iets van dit
stukje, de andere had een ander detail te melden, steeds te weinig en te
kleine eindjes om aan elkaar te knopen. Feitelijk ging het in al die
gevallen om niet meer dan manieren van zeggen, beeldspraken van onmacht,
zodat de oversten van de oversten steeds halfgoden bleven, bergtoppen
gehuld in mistflarden. En zoals wel vaker gebeurt met halfgoden, hebben we
soms moeite om hun realiteit aan te nemen. Toch bestaan die bazen in het
kwadraat wel degelijk, dat blijkt elke keer duidelijk als onze eigen chefs
ons bevelen van hogerhand doorgeven, als sergeanten of papegaaien: in hun
toon vangen we een glimp op van de strengheid waarmee zij zelf bejegend
worden.
Natuurlijk zijn er werknemers
die pretenderen meer te weten, dat heb je in elke werkkring. Jan, een
oudere collega, die meestal zeer terughoudend en kritisch is, beweert zelfs
dat hij al eens een echt superhoofd heeft gezien. Zijn jongere vriend
Laurens lacht hem daarbij uit en denkt dat het om een soort déjà vu-ervaring
gaat, of wishful thinking. Wat daar ook van zij, alleen al de
indrukwekkende hoogte van de wolkenkrabber waarin ons bedrijf is gevestigd
wijst op het bestaan van bovenbazen.
Op de begane grond is de hal, met de
receptie en enkele ontvangstruimten en daarachter de dertig liften en een
parkeergarage voor kaderpersoneel, voor de bovenbazen dus. Op de eerste
etage de afdeling letterkunde, journalistiek en public relations; wij zelf
hebben onze kantoren op de tweede verdieping. Boven ons zitten onze
directe opdrachtgevers, die ook voor de logistieke steun zorgen, de
personeelsdienst en de salarisadministratie. Hoe de hogere verdiepingen
ingericht en onderverdeeld zijn weten wij niet. Voor elke etage is er een
aparte lift met magneetkaart én cijfercode. Op een dinsdag, toen hij iets
te veel gedronken had, heeft mijnheer Longinus, mijn eerste directe
overste, me wat verteld over die bovenlaag van hoofdhoofden. Die zag er
naar zijn zeggen zeer ingewikkeld uit, met enerzijds veel onderverdelingen
en anderzijds daarboven weer andere gezagsdragers en vermoedelijke
beleidsvoerders die nog machtiger en nog minder zichtbaar waren, en zo
voort. Maar dat niveau was dermate verheven dat wij, gewone stervelingen,
het gevoel hadden dat we die hoge piefen moesten raden of uitvinden, dat
we erin moesten geloven. Als bij een koning of een minister, mensen die je
niet persoonlijk kent, met dat verschil dat die zogeheten gezagsdragers
uitgebreid op de tv komen en onze directeuren niet. En dan nog: wie weet
waar de ketting eindigt, tot waar de piramide reikt? Tenslotte heeft
iedereen wel iemand boven zich die beveelt, verbiedt, controleert,
manipuleert en aan onzichtbare touwtjes trekt, dat is in elke werkkring
zo; mijn baas heeft dus niet echt uit de school geklapt.
Hoe dan ook, vertakt is de organisatie zeker. Ze heeft
afdelingen in alle landen, agenten en kantoren in bijna alle
hoofdsteden. De werkkamers lijken overal een beetje op elkaar, zelfde meubelen,
zelfde decor, zelfde
potplanten, vooral clivia’s. Met geüniformeerde geuren, zoals in alle
McDonald's ter wereld. Ook de agenten hebben overal een air de famille,
een tic, een blik, een silhouet, een zekere uitstraling die als een livrei
om hun schouders hangt, onmerkbaar voor niet-leden. Na een aantal maanden
dienst en enkele zakenreizen herken je ze trefzekerder dan wanneer ze een
uniform zouden dragen.