Zeven jaar eerder

Het huis stond aan de rand van Eschweiler, een voorstad van Aken, grenzend aan de eerste bossen van de Eifel. Het 'Haus der Drachen' was een imponerend, somber gebouw, gedeeltelijk opgetrokken in donkere natuursteen. De witstenen omlijsting van de ramen was vergrijsd, en het dak had een onbestemde kleur gekregen door een dikke laag korstmos. De tuin, ooit groot en ruim, was door jarenlange verwaarlozing vrijwel dichtgegroeid. Hoge bomen hielden elke zonnestraal buiten, en de afhangende takken van de grote sparren leken altijd te druipen van het vocht, alsof ze uit een zwart moeras waren opgerezen. Aan het begin van de oprit, aan weerszijden van het roestige hek, stonden twee gemetselde pilaren, eveneens in natuursteen. Op elke pilaar troonde een groen uitgeslagen, ineengekronkelde draak die zijn eigen staart verslond. Ouroboros, het symbool van de eeuwige terugkeer en de eenheid van alles.
   'Gaat u alstublieft weg,' riep Waldemar Isfeld tegen de man die op zijn stoep stond. Hij probeerde de deur dicht te duwen, maar er werd weerstand geboden.
   'Dit is immoreel, meneer Isfeld,' zei de man voor zijn deur met stemverheffing. 'Beseft u wat u doet? Wat u mij aandoet? Of een ander? Of de wetenschap?'
   'Gaat u weg,' herhaalde Isfeld. 'Ik wens niet met u te praten.' Hij zette weer kracht tegen de deur, slaagde erin hem in het slot te laten klikken, en schoof meteen de ketting erop. Hij drukte zijn oor en wang tegen het gelakte houten deurpaneel. Hij hoorde niets. Er prikte zweet op zijn voorhoofd. Hij rook het oude vernis van de deur en zijn eigen zure lijfgeur die opsteeg uit zijn gebreide trui. Hij bleef luisteren tot hij eindelijk voetstappen hoorde knarsen op het grind van het pad, gevolgd door het hoge krijsen van het gietijzeren tuinhek. De wind droeg een flard mee van schetterende, vrolijke muziek. Trompetten, trommels. Bums faldera, bums faldera. In het centrum van de stad werd plezier gemaakt.
   Hij draaide zich met een ruk om toen hij een geluid achter zich hoorde. Zijn vrouw stond halverwege de trap. Hij vroeg zich af hoe lang ze daar al stond.

 

   'Wie was dat?' vroeg ze ongerust.
   'Niemand,' zei hij. 'Het was niemand.'
   Ze keek hem even zwijgend aan, draaide zich om en liep weer naar boven.
   'Dan heb ik de geest van Niemand gezien,' zei ze met haar rug naar hem toe.
   Waldemar Isfeld bromde iets en liep zijn werkkamer in. Hij was boos op zijn vrouw omdat ze hem niet geloofde, en boos op zichzelf omdat hij gelogen had.

Hij stak een paar schemerlampen aan. Het was zeven uur 's avonds en donker. De wind was gedraaid. De hoempapamuziek klonk harder, de flarden regen zich aaneen. Bums faldera. Bums faldera. Het was het einde van de zottencyclus, de Twaalf Dagen van de omgekeerde wereld. Een belangrijke avond in Eschweiler. Over vijf weken was het carnaval. Vanavond zou de nieuwe heerser over het narrenrijk gekozen worden, de prins van het vijfde seizoen. Lang geleden, in zijn studententijd, was Isfeld zelf ooit Prins Carnaval geweest. Nachten had hij doorgefeest, liters bier verzet. De kracht van de jeugd.
   Isfeld liep naar een ets aan de muur - een fraai zicht op Braunschweig - en tilde hem van de haak. Daarna vormde hij de code van het wandkluisje dat erachter verborgen zat. Hij pakte het kleine boekje uit de kluis en installeerde zich ermee in de fauteuil naast de open haard. Zoals steeds wanneer hij het antieke boekje in handen had en zijn vingers het gevergeerde papier streelden, werd zijn hoofd licht en zijn borst een luchtruim. ZIJN vondst. Dit unicum te mogen bezitten was een wonder, een genade. Een triomf. Zolang hij het had en niemand anders, was het boekje de drager van macht en aanzien, en kon elke bladzijde onvermoede ontdekkingen bieden, duizelingen, perspectieven.

Hoewel hij de man die vanmiddag voor zijn deur stond nog nooit had gezien, had hij meteen geweten wie het was. In zijn werkkamer, in de rechterlade van zijn bureau lagen zes brieven, die alle zes van de ongewenste bezoeker waren. De eerste twee had hij beantwoord, de volgende niet meer.




Uit: Kwelgeest