DOEK

Het bleef vijf seconden stil in het piepkleine theaterzaaltje. Daarna ontstond er tumult. Sommige mensen applaudisseerden, anderen protesteerden verontwaardigd. Een in zwijm gevallen vrouw moest worden bijgebracht met eau de cologne, iemand op de eerste rij staarde verbijsterd naar een paar spatten bloed op zijn schoen, een derde liep krijtwit en met een hand voor zijn mond zo snel mogelijk naar buiten.
   Cornelius Reyziger liet zich te midden van een dertigtal andere toeschouwers mee naar buiten voeren, de frisse lucht van de kermis in. Bij de kassa stond al een rijtje te wachten voor de laatste voorstelling van die avond. GRAND-GUIGNOL - THEATER VAN DE ANGST, stond er in bloedrode letters op de fašade van de tent geschreven. De asgrauwe gezichten en het ontstelde commentaar van de mensen die het theatertje verlieten, trokken alleen maar meer volk aan.
   'Dat zoiets mag!'
   'Er zijn geen grenzen meer tegenwoordig!'
   'Dat kan je toch geen toneel noemen?'
   'Waarom niet? Het is juist geweldig!'
   'Hoe zouden ze dat doen, met al dat bloed?'
   Cornelius keek op zijn horloge. Half elf. De hele voorstelling had nauwelijks twintig minuten geduurd, inclusief de beknopte inleiding van de directeur van het toneelgezelschap. Hij blies een paar keer diep uit om de bedompte lucht van het theaterzaaltje uit zijn longen te drijven. De adem van anderen. Het was of hij al dat bloed nog rook, nog proefde. Zoet ijzer. Warme dood. Hij rilde. Het was zowel grotesk als walgelijk, en hij wist niet goed wat hij ervan moest denken.
   Hij slenterde langs de kermiskramen. Dit was ongetwijfeld de vreemdste vorm van theater die hij ooit had gezien, ook al had hij wel een beetje geweten wat hij kon verwachten. Grand-Guignol was immers de naam geweest van een klein Parijs' theater in een steegje bij Pigalle, razend populair aan het begin van de twintigste eeuw. Er werden ongeloofwaardige

 

melodrama's van bespottelijk slechte smaak op de planken gebracht, op basis van macaber geweld en bloederige horror. Het waren, volgens de bron die hij geconsulteerd had, 'creaties uit de laagste diepten van de geest'. Misselijkmakend entertainment waarvan het succes werd afgemeten aan het aantal dames dat in zwijm viel. In de loop van de tijd was het theatertje steeds meer een parodie van zichzelf geworden, tot het doek in 1962 definitief was gevallen. Het was ongelooflijk dat het genre zijn eigen dood toch had overleefd, en dat er nu, in minivorm, zelfs een reizende kermisvoorstelling van was gemaakt.
   Hoewel Cornelius er dus op was voorbereid, was zijn maag toch gekrompen van al dat bloed, van die vochtig raspende zaag door die nekwervels. Het was een totaal andere ervaring dan het kijken naar een horrorfilm. Het filmdoek, het televisiescherm, de geluidsboxen, allemaal vormden ze een beschermende laag, een emotiebuffer tussen toeschouwer en protagonist. Er bleef afstand. Maar bij dit toneel werd er niet gemonteerd of verdoezeld. De hoofdrolspelers waren mensen van vlees en bloed die konden lijden, sterven, moorden. En dus was er de angst dat hun handen zich om je eigen strot zouden slaan en toeknijpen. Er was bijna erotische opwinding. Voyeurisme. En daaruit voortvloeiend een vaag gevoel van schuld. Van medeplichtigheid.

De kermis rook naar oliebollen en friet, loempia en satÚ. Een half uur geleden, vlak voor de voorstelling, had hij nog trek gehad in een hamburger met ketchup, maar nu voelde hij zich daar niet tegen opgewassen. Bovendien was het gaan regenen. Geen weer om nog lang buiten te blijven rondlopen. Cornelius vroeg zich juist af of hij niet beter naar huis kon gaan, toen hij zag dat hij zich voor de ingang van het glazen doolhof bevond. Als hij dat vandaag nog meepikte, kon hij langzamerhand aan zijn grote artikel over de Sinksenfoor beginnen, de Antwerpse Pinksterkermis.






Uit: De duim van Alva